Het Gerechtshof Amsterdam deed op 16 juni 2026 een uitspraak in de zaak van de vakbonden FNV en CNV tegen platform Temper B.V. (ECLI:NL:GHAMS:2026:1612).

Wat speelde er? FNV en CNV zijn naar het Gerechtshof Amsterdam gestapt over Temper, het online platform waar ‘zzp’ers’ korte klussen van verschillende opdrachtgevers kunnen oppakken. In de kern draaide de zaak om de volgende vraag: zijn de mensen die via Temper werken wel echt zelfstandigen, of zijn het eigenlijk uitzendkrachten met bijbehorende rechten uit de wet en cao?

Sinds 2016 brengt Temper via een app/website werkzoekenden en opdrachtgevers bij elkaar. Een werkzoekende maakt een profiel aan en heeft daarvoor een btw nummer nodig. Vervolgens kan er worden gereageerd op klussen. De betaling loopt via een factoringpartij (Finqle), die direct uitbetaalt en een percentage inhoudt. Tot april 2019 hield Temper ook € 1 per gewerkt uur in als gebruikskosten. De opdrachtnemer mag zich laten vervangen, maar blijft wel verantwoordelijk. Het is niet mogelijk om meer dan 660 uur per jaar voor dezelfde opdrachtgever te werken, zodat het – in theorie – mogelijk is om voor minimaal drie opdrachtgevers op jaarbasis te werken (aldus Temper).

Wat vond het hof? Volgens het hof lijkt dit in de praktijk sterk op uitzenden. Temper bepaalt en bewaakt veel: profielen kunnen worden geblokkeerd, er zijn minimumtarieven en annuleringsregels, en er is strakke platformregie. Opdrachtnemers lopen weinig ondernemingsrisico en hoeven niet te investeren. Dat past niet bij echte zelfstandigheid. Dat je je mag laten vervangen, verandert daar volgens het hof niets aan: als iemand een klus accepteert, wordt die namelijk in de praktijk vrijwel altijd door de acceptant persoonlijk uitgevoerd. Dat er verschillen zijn tussen de diverse opdrachtnemers onderling, maakt een collectief oordeel niet onmogelijk.

Het hof concludeert dat er sprake is van een uitzendovereenkomst (art. 7:690 BW). Dat betekent dat er sprake is van arbeidsrechtelijke bescherming en dat de regels uit de cao dienen te worden toegepast. Ook oordeelt het hof dat Temper tussen 1 januari 2016 en 1 april 2019 onterecht € 1 per gewerkt uur heeft ingehouden in strijd met de Waadi; dat moet worden terugbetaald. Een andere belangrijke eis van de bonden was hoofdelijke aansprakelijkheid van opdrachtgevers voor voldoening van het loon (op grond van artikel 7:616a BW). Deze eis wordt niet toegewezen, omdat al die individuele opdrachtgevers niet door de bonden zijn gedagvaard en dus geen partij zijn in deze rechtszaak.  Ik meen echter dat, in het geval dat Temper geen verhaal biedt, de kans zeker aanwezig is dat deze opdrachtgevers alsnog individueel zullen worden aangesproken.

Waarom is dit belangrijk? Deze uitspraak laat (wederom) zien dat bij platformwerk de werkelijkheid zwaarder weegt dan het label “zzp’er”. Als het platform de werkrelatie feitelijk aanstuurt, kan dat leiden tot kwalificatie als uitzendovereenkomst, met alle arbeids- en cao-rechten van dien. Dat heeft niet alleen gevolgen voor hoe digitale platforms hun werk en tarieven inrichten, maar ook voor de positie van de mensen die via zulke apps werken.

Heeft u vragen over (schijn)zelfstandigheid? Neem dan gerust contact op.